Een werknemer met een (stille) wens om als zelfstandige te beginnen kan in deze tijd misschien zijn wens waarmaken zonder al te veel risico. Want op het moment dat het dienstverband eindigt en de werknemer in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet, is het mogelijk om vanuit die positie als zelfstandige te starten.

Op grond van artikel 77a Werkloosheidswet (WW) is het mogelijk om voor een periode van maximaal 26 kalenderweken als zelfstandige te starten met behoud van de WW-uitkering, tenzij de uitkering in deze startperiode eindigt. De uitkering wordt in deze startperiode dus niet verlengd. Vervolgens moet je, met een ondernernemersplan, aantonen dat je met de werkzaamheden die je wilt gaan verrichten binnen een jaar voor tenminste 25 uur per week uitstroomt uit de uitkering.

Daarnaast geldt de voorwaarde dat de werknemer nog niet begonnen mag zijn met de werkzaamheden als zelfstandige en dat er binnen de uitkeringsperiode niet reeds eerder een startperiode is toegekend. Het UWV heeft daarbij het recht de gegeven toestemming voor deze periode als zelfstandige in te trekken als de werknemer zich niet voldoende blijkt in te zetten.

De inkomsten van de zelfstandige (de winst uit de onderneming) over het eerste jaar worden over het gehele eerste jaar verdeeld. Vervolgens wordt de helft daarvan (26 weken) verrekend met de uitkering. Dit doordat er over de 26 weken 70% in mindering wordt gebracht op de uitkering.

Een voorbeeld ter verduidelijking.

Ilse heeft een WW-uitkering en wil met een startperiode voor zichzelf beginnen. Zij verdient in de startperiode van 26 weken € 7.000. De tweede 26 weken verdient Ilse aanzienlijk meer namelijk € 13.000. De verrekening vindt dan als volgt plaats. Eerst tellen we de totale inkomsten bij elkaar op. Dit maakt het totale jaar inkomen van Ilse € 20.000. Dit delen we vervolgens door twee omdat het maar gaat om een halfjaar startperiode. Dat betekent dat aan de startperiode van een halfjaar een bedrag van € 10.000 wordt toegerekend. Van deze € 10.000 verrekent het UWV 70% met haar uitkering. Dat betekent dat Ilse over de startperiode € 7.000 wordt gekort op haar uitkering. Tijdens de startperiode heeft Ilse naar alle waarschijnlijkheid voorschotten ontvangen van het UWV. Na verrekening zal moeten blijken of er te veel of te weinig is uitgekeerd door het UWV.

Als het UWV de werknemer een startperiode heeft toegewezen dan is hij of zij gedurende deze periode vrijgesteld van de sollicitatieplicht. Iemand die, hetzij zonder of na de startperiode, tijdens zijn WW-uitkering als zelfstandige verder wil gaan wordt daarmee automatisch uitgesloten van een WW-uitkering omdat hij dan geen werknemer meer is in de zin van de WW.

Echter, als men om wat voor reden dan ook niet meer verder kan als zelfstandige, en de activiteiten als zelfstandige ondernemer volledig staakt, is het mogelijk de WW-uitkering te laten herleven voor de nog resterende uitkeringsduur.

De minimale termijn is 18 maanden en de maximale termijn is gelijk aan de maximale WW-duur van 38 maanden. Als de resterende uitkeringsduur minder dan 18 maanden is dan wordt er dus uitgegaan van 18 maanden. Deze termijn start pas na afloop van de eerder vermelde startperiode.

Bron: ASR Adviesbureau Fiscale en Juridische Zaken | april 2009 9/10